De hutkoffers en het schetsboek spreken
Column Fred Kandou - lid Raad van Toezicht
In deze persoonlijke column verteld Fred over zijn ouders en grootouders. Over hoe verhalen niet vertelt maar wel gevoeld worden en bijzondere schetsboeken als bewijs.
Mijn naam wordt zelden in één keer goed uitgesproken en gespeld: ‘Kandou’. Met een K en niet met een C; met ou en niet met au en zonder w aan het eind. En niet uitgesproken op z’n Frans als ‘oe’. En met de nadruk op de eerste lettergreep.
Ik corrigeer het al jaren met een glimlach. Het is een klein ritueel geworden, een luchtige opening van een gesprek. Maar er zit ook iets anders onder. Want in die naam ligt een geschiedenis besloten die zelden werd uitgesproken. Sterker nog: ik wist en weet er nog steeds bitter weinig van. Ik weet dat mijn grootvader kapitein was op de grote vaart bij de Koninklijke Pakket Maatschappij (KPM). Uit zijn erfenis herinner ik me als kind de hutkoffers, beplakt met etiketten van bestemmingen, met zijn naam in sierlijke letters op de koffers geschilderd. Dit is de kant van mijn vader.
Mijn ouders zijn beiden geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. Over hun jeugd werd thuis nauwelijks gesproken. Mijn vader kwam ruim vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Nederland. Mijn Indische grootvader van vaders kant overleed al voor de oorlog. Mijn vader sprak weinig over zijn jeugd. Misschien omdat er geen woorden waren, er geen ruimte was, maar vooral, denk ik, door zijn karakter: gesloten als een mossel als het ging om zijn persoonlijke leven. Toen zijn vader overleed, was hij negen jaar oud, en als enig kind hield hij zijn persoonlijke verhaal uit die tijd altijd voor zich.
En mijn moeder — zij droeg misschien wel het meest — en dat als puur Hollandse vrouw. Haar vader werkte als KNIL-officier, waardoor mijn moeder een groot deel van haar jeugd in Nederlands-Indië heeft doorgebracht. Maar zij vertelde het minst over die periode.
Pas veel later begon ik iets te begrijpen. Niet door verhalen, maar door tekeningen.
Mijn moeder was veertien jaar oud (in 1942) toen zij in een Japans interneringskamp zat: Tjihapit in Bandoeng. Een vrouwenkamp, met haar moeder en twee zusjes. Haar moeder was kampoudste. Daar maakte mijn moeder tekeningen: zorgvuldige schetsen van het dagelijks leven, vastgelegd met potlood en kleur. Gezien haar jonge leeftijd van uitzonderlijk niveau: met veel humor, maar tegelijk indringend precies.
Eén van die tekeningen draagt de titel: “Mammie vroeg om meer eten.”
Je ziet twee gezichten van dezelfde vrouw: één van vóór, één van daarna. Het is mijn grootmoeder. Wat je niet meteen ziet, maar wat later wordt verteld, is wat ertussen ligt: de straf. Het kaalscheren, het opsluiten. Het honger hebben, elke dag opnieuw.
Het onderschrift bij deze tekening is als volgt, onlangs verteld door het jongere zusje van mijn moeder (nu 94 jaar!):
“Mijn moeder had met vijf vrouwen een kleine demonstratie op touw gezet met als inzet de vraag om brood, voor het hek van het Japanse hoofdkantoor. Dit was naar aanleiding van het feit dat de Japanners het hele kamp wilden straffen met onthouding van brood, omdat er door vrouwen door gaten in de omrastering van het kamp (het gedèk) handel was gedreven met Indonesische bewoners buiten het kamp. Eén officier legde zijn zwaard tegen de hals van mijn moeder. Maar die was niet bang en keek met haar felblauwe ogen de Japanner gewoon aan. Alle zes de vrouwen zijn toen gearresteerd en drie weken lang opgesloten in een kamer van het hoofdkantoor, waar ze nauwelijks te eten kregen (slechts twee rijstballetjes per dag). Maar Indonesische bedienden van het kantoor smokkelden eten voor hen naar binnen. Op de verjaardag van de Japanse keizerin zijn ze vrijgelaten, nadat er een hele bos haar van de voorschedel van mijn moeder kaal was geschoren.”
Mijn moeder tekende wat ze zag. Wat ze meemaakte. Misschien zonder te beseffen dat ze daarmee iets vastlegde wat later van onschatbare waarde zou zijn. Niet alleen voor haarzelf, maar ook voor ons. Of eigenlijk voor iedereen die in die kamptijd is geïnteresseerd. De tekeningen van mijn moeder zijn voor mij een sleutel geworden tot hoe ik haar kende. Bijvoorbeeld een kippenpoot die door haar altijd volledig werd genuttigd. Ze at alles wat eetbaar was, tot en met het kraakbeen aan toe.
Voor mij is dit een geschiedenis van beide ouders die niet werd doorgegeven, maar wel werd gevoeld. In kleine dingen.
Het Indisch Herinneringscentrum speelt voor mij een belangrijke rol in het zichtbaar maken van dit soort verhalen. Niet alleen de grote geschiedenis, maar juist ook de persoonlijke, vaak verborgen geschiedenissen. De verhalen die niet vanzelf worden verteld. De herinneringen die op zolder of in laden blijven liggen. De schetsboeken die pas jaren later worden opengeslagen. Want juist daarin zit de verbinding tussen generaties.
Kampschets